Deze keer moet ik met een triest verhaal beginnen. Tijdens mijn vorige trips naar Australië heb ik het altijd wel gezien, iets wat de Aussies roadkill noemen.

Dode dieren, meestal kangoeroes, langs de kant van de weg. Deze keer zijn het er echter wel heel veel. Het is echt een naar gezicht wanneer je de berm af en toe letterlijk bezaaid ziet met dode beesten. Of dat je om de kadavers op de weg heen moet slalommen.

Een grote verzekeringsmaatschappij heeft vorig jaar 20.000! claims gehad van schade, veroorzaakt door aanrijdingen met dieren. Toen ik een dezer dagen dan ook een moeder met jong langs de kant van de weg zag staan, ben ik toch maar even op de rem gaan staan. Je moet er toch niet aan denken, dat je die beesten doodrijdt.
Gelukkig is het verder vooral genieten. Een mooie tocht naar de Walls of China bijvoorbeeld, een rand – met een lengte van 32 kilometer – van opgestoven zandduinen, waar lagen klei overheen zijn gekomen (allemaal tienduizenden jaren geleden natuurlijk toen er in het gebied nog een groot meer was).

Nu kun je er prachtig wandelen en worden er archeologische vondsten gedaan. Men heeft hier in de jaren ’60 het skelet van een Aboriginal vrouw gevonden. De ouderdom wordt geschat op 42.000 jaar en daarmee is het de oudste vondst van menselijke resten buiten Afrika.
De wegen worden rustiger. Als ik de Silver City Highway opdraai, voel ik me in “the real outback”. Ondanks de typering highway zit ik op een smalle tweebaansweg (waar je overigens wel 110 km/u mag rijden!) en rij ik door het vlakke, rode, lege land, dat de outback kenmerkt. Dit gedeelte van Australië mag dan wel leeg lijken, onder de grond zitten onmeetbare schatten. Broken Hill is groot geworden door het mijnen van zilver en in White Cliffs en Lightning Ridge gaat iedereen op zoek naar opaal.

Waar Broken Hill uitgegroeid is tot een keurige stad, is met name White Cliffs een soort wildwest plaatsje gebleven dat er uitziet alsof er grote mollen hebben huisgehouden. Er wonen zo’n 100-150 mensen. Het aantal wisselt nogal doordat mensen in de hete zomers wegtrekken om in de winter terug te komen. En er zijn vele gelukszoekers die een paar weken of maanden hun best doen om rijk te worden en daarna, vaak teleurgesteld, weer vertrekken. Degenen, die blijven, wonen vaak onder de grond of in grotten die zijn uitgehakt in de heuvels. Voor toeristen zoals ik is er ook een Underground Motel en hoewel het nu niet zo heel heet is, besluit ik toch maar om hier te gaan slapen.

Dat wil je natuurlijk ook wel eens meemaken. Dus ik zoek mijn kamer op door een doolhof van gangen en kom terecht in een kamer, uiteraard zonder ramen, maar met een soort luchtpijp, waardoor ik hoog boven me toch nog iets van de buitenlucht kan opvangen en belangrijker nog: zuurstof. De temperatuur is aangenaam en ik heb begrepen, dat het er -zomer en winter- altijd ongeveer 22°C is.
He went out to the back of Bourke is een Australische uitdrukking voor zoiets als Hij is naar Timboektoe vertrokken. Vanuit de druk bewoonde wereld gezien is Bourke dan ook een heel eind overal vandaan. Toch is dit ook een van de plaatsjes die op mijn route liggen. Het is inderdaad ver overal vandaan. Dus reserveer ik van te voren al mijn plekje op de camping (helaas is “wild” kamperen in New South Wales bijna nergens meer toegestaan), gooi ik de benzinetank tot de rand toe vol en zorg ik voor voldoende water. Achteraf bekeken, viel het nog mee, maar je kunt maar beter goed voorbereid zijn nietwaar?

Bourke is een voorteken van wat ik ook in de volgende plaatsen zal zien. Dorpen die in inwoneraantal teruglopen, grote werkloosheid kennen en waar de problematiek met de Aboriginal-bevolking nadrukkelijk aanwezig is. Je ziet speciale hulpcentra voor dit deel van de bewoners, waarbij vooral veel aandacht is voor huiselijk geweld en alcoholpreventie.
Ik laat de Outback weer achter me en de laatste tussenstop voordat ik de kust bereik is Nimbin. Een klein dorpje in de heuvels van de Great Dividing Range, de bergketen die langs de hele oostkust van Australië loopt (zo’n 3.500 km lang). Nou moet je niet denken dat het zoiets als de Andes is, want ze noemen het hier al snel een berg. Maar het is wel een heel mooi bergachtig gebied met slingerende wegen, inclusief haarspeldbochten. Wel heel iets anders dan 262 km rechtdoor rijden!

Nimbin is het dorpje waar de hippies het nog zo’n beetje voor het zeggen hebben. Na een alternatief festival in 1973 bleef een aantal festivalgangers hangen en stichtten communes. Het dorp is uitgegroeid tot een soort vrijheidsstaat(je) waar marihuana vrij verkrijgbaar is en dat een grote aantrekkingskracht heeft op schrijvers, muzikanten, acteurs maar ook milieuactivisten en alternievelingen en vooral toeristen. Want als ik er ben bekruipt me het gevoel dat van de idealen van toen niet zo veel meer over is en er nu vooral wordt geprofiteerd van het toerisme.
Nu zit ik in Byron Bay, een kustplaats met een mooi strand en een vuurtoren op het meest oostelijke puntje van het Australische vasteland. En het is er verschrikkelijk druk. Dat is weer even wennen.

Wat een belevenissen….
En wat kun je leuk schrijven!
Veel plezier nog.
LikeLike
Dank je, ik heb er zelf ook altijd veel plezier in om alles weer op te schrijven en met iedereen te delen.
LikeLike