Rondreis Ecuador en Galápagos
Vanuit mijn rondreis door Argentinië en Chili ben ik aangekomen in Quito, de hoofdstad van Ecuador en zit ik in een hotel midden in het centro histórico. Zoals de naam al doet vermoeden is dit het oudste gedeelte van de stad.

Vanuit mijn hotelraam heb ik uitzicht op La Virgen, een groot beeld boven op de berg El Panecello. Het schijnt dat je van daaruit een mooi uitzicht hebt op Quito, dus dat wordt een tochtje naar boven een dezer dagen. Maar nog niet meteen, want eerst moet ik een beetje wennen aan de hoogte. Quito ligt op zo’n kleine 3.000 meter hoogte. Ik doe het dus rustig aan en drink veel water, dat schijnt goed te zijn. Mijn eerste dag in Quito komt mijn Lonely Planet weer goed van pas, ik loop een van de wandelroutes en zie daardoor de meest interessante mooie oude pleinen en gebouwen.
Ik geniet van de muziek die ik overal hoor en als ik op zoek ga naar de herkomst, stuit ik op een dansgroep, die op een pleintje een voorstelling geeft. Ik heb nog een dag in Quito en besluit om die te beginnen met een tocht naar La Virgen. De taxichauffeur waarschuwt me om niet de trap vanaf de berg naar beneden te nemen, want dat is te gevaarlijk. Ik heb al een bus zien rijden, dus dat komt wel goed. Bovenop de berg staat inderdaad het grote beeld van Maria, maar het is niet erg mooi. Verder staan er een paar kermisachtige kramen en dat is het wel zo’n beetje. Je moet het echt hebben van het uitzicht en dat is gelukkig mooi. Het weer is goed, er zijn weinig wolken en ik kan ver over en voorbij Quito kijken.

Je ziet hoe mooi de stad tussen de bergen ligt en op de flanken van een vulkaan. Terwijl ik de berg weer verlaat met de bus begint het te regenen. Het weer is volkomen omgeslagen en dan is het ineens niet meer zo leuk om hier rond te lopen. De rest van de dag loop ik dan ook zoveel mogelijk in de overdekte markten en dergelijke rond.
Na twee dagen Quito vertrek ik naar de jungle. Ik heb een week geboekt aan de Napo River in het Amazonegebied in het zuidoosten van Ecuador. Een vliegtuig brengt me naar Puerto Francisco de Orellana (maar meestal Coca genoemd) en van daaruit is het nog zo’n drie uur met een smal bootje naar de Yachana Ecolodge.

Deze lodge is gebouwd door een Amerikaan die zich het lot van de indianen hier in de buurt van de rivier heeft aangetrokken. Met de opbrengsten van de lodge en giften heeft hij inmiddels een school, kerk en ziekenhuis gebouwd voor het naburige dorpje. Zijn belangrijkste doel is om de indianenkinderen van onderwijs te voorzien. De kinderen komen dan ook van heinde en verre om op zijn school les te volgen. Het is een heerlijke plek om een poosje te luieren, de lodge is mooi aangelegd, heeft prachtige tuinen met hele mooie bloemen en planten, een vlindertuin en de accommodatie is uitstekend.

En ze hebben Juan in dienst, een Quichua(indiaan). Geweldige gids en hij neemt ons (er zijn nog vier andere gasten) mee op mooie tochten over de rivier en in de jungle. We bezoeken een sjamaan die bij een paar gasten “geesten” verdrijft. We leren ook om met een speer of een blaaspijp een doel te raken (lukt niet iedereen). Natuurlijk bezoeken we ook de school en het dorpje, waar de kleine kinderen zich vergapen aan de foto’s die ze op onze cameraschermpjes van zichzelf zien.

Op een van de eilandjes in de rivier zien we de Hoatzin, een prehistorische vogel die hoog in de boom voor ons zit te poseren. De maaltijden zijn in de openlucht, er is alleen een rieten dak, en het smaakt elke avond weer heerlijk. Juan vertelt over zijn stam, die niet zo groot is. Ze hebben wel 85.000 ha jungle in hun bezit in Ecuador. Ze zijn grotendeels zelfvoorzienend en wat ze niet zelf hebben, krijgen ze via ruilhandel. Nog redelijk primitief dus. Hij vertelt ook dat hij als jongetje eigenlijk alleen maar koppensneller wilde worden en zoveel mogelijk “shrinked heads” wilde hebben, net zoals zijn grootvader die had! Na het eten we maken we op een avond ook nog een avondwandeling door de omliggende jungle.
Dat is wel heel bijzonder, want we zien slangen, spinnen en een prachtige boomkikker. Onze laatste lunch kunnen we zelf bereiden. We eten yucca, tilapiafilet, gebakken banaan en witte larven (als je dat wilt natuurlijk!). De larven kun je levend eten (Juan doet het voor), maar ze worden meestal gegrild aan een stokje boven een vuurtje. Het is natuurlijk niet zo verbazingwekkend dat maar 1 persoon van het gezelschap het ook echt wil eten. De week vliegt voorbij en voordat ik het weet zit ik alweer in Quito. De rit van het vliegveld naar het busstation is heel gezellig. De taxichauffeur vindt het prachtig dat ik een beetje Spaans spreek en we kletsen het uur vol. Hij zou wel graag willen dat ik hem charter voor een rit naar Otaválo maar dat doe ik toch liever met de bus. Maar hij blijft vriendelijk en als hij ziet dat de bus die ik moet hebben al is weggereden bij het station, houdt hij hem gewoon aan en helpt mij met mijn tas.

De rit met het openbaar vervoer is weer een mooie nieuwe ervaring. De bus zit propvol, stopt bij elke halte en na ongeveer 1 uur zijn we pas Quito uit. Bij elke halte roept de conducteur in de deuropening: “Otaválo, Otaválo”, en als mensen instappen: “venga, venga” ten teken dat ze moeten opschieten. De laatste staat nog niet op de trap of hij roept naar de buschauffeur: “vamos”. Hij wil geen seconde verliezen klaarblijkelijk en de chauffeur geeft weer vol gas. Na ca. 2,5 uur komen we in Otaválo aan. Ik boek een kamer in een hostel en mijn Spaans is klaarblijkelijk toch niet goed genoeg. Want als de receptionist de prijs voor de kamer noemt, denk ik zoiets te zeggen als: “die prijs valt mee”. Maar als reactie doet hij nog wat van de prijs af. Helaas vrees ik dat de lage prijs niet voor niets is want ik word de volgende ochtend wakker onder de bultjes (bedbugs?). Deze stad is voor toeristen vooral leuk door de enorme markt waar je alles op souvenirgebied wel kunt kopen (afdingen moet!).

Maar zelf vind ik vooral de “gewone” markt leuk. Deze bestaat uit een veemarkt en een warenmarkt. En dan is met name de veemarkt de moeite van de rit al waard. Je ziet hoe dieren verhandeld worden en dat varieert van koeien en varkens tot kippen, ganzen en cavia’s. Jawel, cavia’s want net als in de omringende landen worden ook in Ecuador veel cavia’s gegeten en is het hier een lekkernij. Naast die veehandel zijn ook de mensen die er rondlopen boeiend.
Je ziet hier nog veel traditionele klederdracht en wat ik mooi vind zijn de vele verschillende manieren waarop de vrouwen hun hoofddoek dragen. Aan het eind van de dag vertrek ik met de bus weer richting Quito en na een wilde rit (de chauffeur heeft zo te zien haast) kom ik – opnieuw – aan in Quito. Dit keer voor het laatst want mijn reis zit er op. Vanuit Quito vlieg ik weer naar huis en kan ik terugkijken op een prachtige tijd.
Plaats een reactie