De vlucht naar Gambia duurt ongeveer 6,5 uur en aangezien we al vroeg vertrokken heb ik nog een goed deel van de middag om even te acclimatiseren. Want dat is nodig: na wekenlang geen zon te hebben gezien en komend van 5-6° is het hier heerlijk. Alleen maar zon en de temperatuur stijgt tot boven de 30°. Mijn hotel ligt aan het strand (niet dat ik daar heel veel zal komen, behalve misschien om te wandelen 😁) en is spiksplinter nieuw. Als je op de locatiefoto van deze dag kijkt, dan lijkt het net of ik op een stuk braak liggend land zit. Ik blijf de hele week in dit hotel want Gambia is zo klein (kleiner dan Nederland) dat je vanuit dit hotel prima tripjes het land in kunt doen.
Apenpark Bijilo
Gewekt worden door een krekel is natuurlijk niet heel erg, maar wel als dat om half 5 is en je geen idee hebt waar het geluid vandaan komt en wat het is. Later zie ik het beestje lekker rondkruipen tussen mijn kleren. Ik heb hem maar even naar buiten gegooid want dat hoef ik niet nog eens mee te maken.
In de ochtend ga ik de buurt verkennen, boodschappen doen en geld pinnen (gelukkig na lang zoeken een werkende pinautomaat gevonden). Ik zit op een gunstig punt: winkels en restaurantjes genoeg. Maar dat weten ook de “hustlers en bumpsters” zoals ze hier genoemd worden. Ze komen als vliegen op de toeristen af want ze willen graag geld verdienen. Er wordt beweerd dat ze ook vrouwen aanspreken om zodoende via dat contact een weg naar Europa te kunnen vinden. In de voorbereiding heb ik heel veel waarschuwingen hierover gelezen, maar ik vind het nog wel meevallen. Ja, je wordt voortdurend aangesproken en soms is het een kort maar zeker aardig gesprekje en soms moet je gewoon zeer ferm “nee” zeggen. Ze worden niet vervelend en eigenlijk zijn het allemaal hele aardige mensen.
Mijn hotel ligt tegen het apenpark Bijilo aan en ik hoef maar een klein stukje over het strand om er te komen. Een uitgestrekt bos, mooi om doorheen te lopen en overal kleine aapjes. Er zijn 3 soorten waarvan de mooie rode franjeaap de show steelt.
Banjul
De hoofdstad Banjul telt ongeveer 75.000 inwoners en is daarmee zeker niet de grootste stad van Gambia. Maar het ligt gunstig aan de monding van de Gambia-rivier, de rivier die zo ongeveer het hele land in tweeën deelt. Normaal gesproken zou ik de bus nemen om de stad te bezoeken maar openbaar vervoer is er niet. Je hebt de bush taxi’s, kleine busjes die je kunt aanhouden waar je ook maar staat. Maar deze zitten overvol en schijnen niet echt veilig te zijn voor toeristen. Dus, geheel tegen mijn gewoonte in, pak ik een taxi. Ik heb kennis gemaakt met een Nederlands echtpaar en we besluiten om deze trip samen te doen. De hoogtepunten van Banjul? Daar moet je je niet te veel van voorstellen. Je kunt naar de Albert Market, maar dat is vooral een grote straat met heel veel kleine winkeltjes en een klein marktplein met kraampjes. De haven is een chaos. Vanaf deze plek gaan ook de veerboten en de weg ernaar toe en het haventerrein staan helemaal vol met auto’s en vooral vrachtwagens, die elkaar geen centimeter ruimte willen geven dus naast alle drukte is het ook een hels kabaal. We besluiten om de drukte te verlaten en wandelen door een een rustiger gedeelte. En dan zie je hoe mensen hier soms in prima huizen wonen maar vaak in krotten leven. En de verschillen zijn ook groot als je naar winkels, restaurants en bedrijven kijkt. Soms heel westers en modern, vaak toch wel heel basic: een containerachtige ruimte, klein, donker, stoffig etc. En overal tussendoor half afgebouwde of juist vervallen gebouwen. We sluiten af met een bezoek aan het Gambian National Museum. Een leuk museum waar je iets meer achtergrond informatie krijgt over het ontstaan van het land, de geschiedenis, cultuur, economie etc. Exact op tijd is de taxi er weer om ons terug te brengen naar het hotel. Deze chauffeur houdt zich aan de klok en niet aan GMT (Gambian Time Maybe) 😁
African night
Een rustige dag vandaag. Helaas gaat mijn geboekte trip naar Senegal niet door vanwege te weinig belangstelling. Erg jammer, maar gelukkig is het ook wel lekker om een dagje in en om het hotel rond te scharrelen. Lekker wandelen langs de zee, een drankje op het terras, een boek lezen etc.
Het westen van Afrika is de regio waar de djembé als muziekinstrument zijn oorsprong heeft. En aangezien ik al jaren djembélessen volg moet ik natuurlijk wel een keer naar een “African Night”. Een podium vol musici, een dansgroep en een buffet zorgen voor een plezierige avond met voor mij als hoogtepunt dat ik het laatste stukje met de heren mag meespelen!
Baobab-eiland
Vandaag ga ik het binnenland in met een georganiseerde tour want zelf rijden wordt hier ten zeerste afgeraden. Rijbewijzen worden soms gekocht, auto’s zijn vaak zeer slecht onderhouden en dus onbetrouwbaar, verkeersregels worden aan de laars gelapt etc. De gids die me ophaalt is verrast als hij me ziet: you‘re the djembé drummer! 😁
We komen langs een veemarkt waar ze als diervoeder het gras van de pindastruiken verkopen. Pinda’s zijn een belangrijk landbouwproduct en worden veel geëxporteerd. Maar, ze maken er ook een heerlijke pindasaus van. We gaan van een van de twee geasfalteerde wegen af en vervolgen onze weg over en zandweg, richting de rivier. Onderweg komen we door een dorp en het klopt: de kinderen zwaaien allemaal naar je. Hele families leven hier in een compound, ommuurd dus je ziet er weinig van. Maar gelukkig rennen de kinderen hier ook allemaal op straat rond. Ik snap het enthousiasme van de kinderen wel want onze gids heeft een grote zak lolly’s bij zich. Bij de rivier lopen we over een gammele pier en stappen op een klein motorbootje. Dan varen we een stuk over de rivier en door de mangroven. Het is een leuk boottochtje en we zien mooie baobabs, vogels en planten. Het is heerlijk rustig op het water en gelukkig niet al te heet. We meren af op baobab-eiland (Sita Joyeh), een piepklein eilandje met, de naam zegt het al: baobabs. We worden begroet met het geluid van een soort xylofoon, uiteraard alleen van natuurlijke materialen en heerlijke thee van een speciale plant en een sapje van de vrucht van de baobab, ook lekker. Na een rondje over het eiland te hebben gelopen schuiven we aan voor de lunch. Rijst, wit en bruin, pindasaus, kip, vis, patat en salade. En ongelooflijk: lekkere mayonaise. Het eten is prima maar het is ongeveer hetzelfde eten als bij de djembé avond. Ik vrees dat het morgen ook weer zoiets zal zijn. Tot slot laat een aantal mensen zich adviseren door de lokale medicijnman, de Marabou.
Het zuiden van Gambia
Bij temperaturen van meer dan 30° en heel veel zandwegen hoort een aangepast voertuig dus stap ik vandaag in een omgebouwde legertruck waar we in de openlucht zitten. Gelukkig zit er een rieten afdak boven dus we zitten niet de hele dag in de volle zon.
Het eerder genoemde echtpaar (tripje naar Banjul) is ook mee hoewel ze wel last hebben van de gevreesde “Banjul belly” ofwel darmklachten.
Onze eerste stop is bij een school. Een kleine school met maar een paar lokalen waar dan wel heel veel kinderen in zitten. We worden met liedjes verwelkomd, de directeur heet ons welkom (en laat vooral vaak horen dat er veel geld nodig is, heel begrijpelijk natuurlijk).
In een ander dorp worden we onthaald met muziek en dans, hier vooral leuk omdat we met zijn allen onder grote mangobomen zitten en alle vrouwen en kinderen van het dorp door elkaar krioelen. Ik heb geen man gezien, behalve dan de trommelaars.
Ook vandaag maken we een boottochtje over een rivier, deze keer in het zuiden, precies op de grens met Senegal. En hier zien we krokodillen, lekker zonnend op de oever.
Lunchen doen we op het strand, en jawel: nagenoeg dezelfde lunch: witte en bruine rijst, salade, kip, vis, aardappelen en verrassing: spaghetti. Na de late lunch moeten we snel weer verder naar het dorpje Tanji om de vissers te zien die na een dag vissen hun vangst aan wal brengen en verkopen. Prachtig om te zien wat hier allemaal gebeurt, maar zelfs onze gids denkt dat er over niet al te lange tijd maatregelen genomen zullen worden om de hygiëne te verbeteren. Hij raadt ons af om deze vis te eten.
Dagje rustig aan
De laatste dag alweer, morgenochtend vlieg ik weer terug. Ik geniet vandaag weer van een lange strandwandeling (in de ochtend want dan is het heerlijk wandelweer) en de middag is voor de craft market. Daar was ik al even heel kort geweest maar nu neem ik wat meer tijd want ik wil graag een nieuwe tas voor mijn djembé kopen. Op een mooi plekje, onder de bomen, zijn tientallen kraampjes te vinden waar je, zoals in elk land, de gebruikelijke lokale souvenirs vindt: houtsnijwerk, sieraden, kleding, vlechtwerk etc. Ik neus wat rond en vind inderdaad een mooie nieuwe tas. Missie geslaagd.
Deze wel. Eigenlijk had ik nog iets meer willen zien, maar het is moeilijk om ver het binnenland in te gaan, tenzij je een 4WD rijdt en als er een streep door de rekening gaat van een leuke tour die je wat verder wegbrengt houdt alles op.
Toch heb ik nog best wel mooie dingen gezien en heb ik genoten van Gambia, pardon The Gambia zoals ze hier zeggen.

























Plaats een reactie