De reis naar Darwin begint aardig op te schieten. Ik zit inmiddels op 2.500 km van Sydney en heb nog zo’n 1.400 km te gaan. Daar heb ik nog 5 dagen voor want 6 juli wil ik in Darwin zijn. Dat gaat lukken! Ik rij dagelijks zo’n 350 km en blijf af en toe ergens een dagje plakken. Zoals bijvoorbeeld in Winton waar ik het museum bezoek dat gewijd is aan Waltzing Matilda. Een museum dus voor één liedje. Dat is misschien vreemd, maar Waltzing Matilda is groot in Australië. Heel groot. Het wordt gezien als het officieuze volkslied en wordt bij veel belangrijke gebeurtenissen gespeeld en/of gezongen.
Ik zit de afgelopen dagen toch al in de regio waar belangrijke mijlpalen uit de historie van Australië worden gememoreerd. Zo is Qantas, de nationale luchtvaartmaatschappij in Winton begonnen en is de Royal Flying Doctors Service in Cloncurry ontstaan. Ook hierover is in verschillende musea meer te zien en te lezen. En er verschijnen op steeds meer plekken langs de weg monumenten. Soms voor bekende Aboriginal-figuren, of voor het herdenken van een gebeurtenis uit WOII. Maar vaak gaat het over ontdekkingsreizigers, zoals Burke & Willis. Deze twee ontdekkingsreizigers zijn beroemd geworden door hun expedities vanuit de zuidkust door de outback naar het noorden, op zoek naar de beste route naar de kust en hun tragische dood tijdens een van de expedities.
Naast die historische en culturele punten is en blijft natuurlijk de natuur voor mij de grootste trekpleister. Ik zie de outback nu weer veranderen van oneindige verre vlaktes in een licht glooiend landschap met her en der rotsheuvels. En er komen zelfs echte bochten in de weg. Mijn GPS heb ik nog steeds niet echt nodig, want er is maar 1 weg naar oost of west en ongeveer elke 150 km kun je eens een afslag nemen. Maar die leidt dan meestal naar een “station”. Nee, dat is geen treinstation maar een boerderij. En aangezien de koeien van deze boeren wijd verspreid over het land grazen, moet ik niet alleen uitkijken dat ik geen kangoeroes doodrij, maar ook opletten dat er geen koeien voor mijn camper opduiken. En ik heb geen bullbar zoals de enorme roadtrains, die steeds vaker voorbij denderen. Zeker als ik in de buurt van Mount Isa kom. Mount Isa is een van de grootste mijnbouwsteden en de road trains vervoeren veel ertsen van de mijnen naar de havens aan de kust. De stad wordt gedomineerd door de gebouwen van de mijnen en is daarmee een van de lelijkste steden die ik in Australië ooit heb gezien. Maar er is wel een grote supermarkt, zodat ik mijn voorraden weer een beetje kan aanvullen. Want in de stadjes onderweg was het aanbod niet al te groot. Gelukkig is er dan altijd de pub waar je een maaltijd kunt scoren 😋!
En hoewel ik wat de temperatuur betreft nog niet het gevoel heb ik dat ik richting de tropen ga (ik heb zelfs warme sokken moeten komen om mijn voeten in bed warm te krijgen), zie ik al wel de termietenheuvels die zo kenmerkend zijn voor het landschap in het noorden. Ze zijn nog klein maar al zeer talrijk aanwezig. Evenals de vliegen die je meteen weten te vinden en met zijn allen om je hoofd zoemen zodra je de auto verlaat.














Plaats een reactie