Einde van de Zijderoute én de reis door (Centraal) Azië

Vanuit Dunhuang gaan we toch eerst nog een stuk met de bus. We bezoeken nl. eerst het meest westelijke fort van Dé Muur in Jiayuguan voordat we met de trein weer verder naar het oosten gaan. De stemming in de bus is enigszins gedrukt. Niet zozeer omdat we wel heel vroeg ons bed uit moesten deze keer en de bus te laat komt, maar omdat België heeft verloren. En we leven natuurlijk allemaal mee met onze Belgische reisbegeleider :-). Het fort is mooi, de omgeving desolaat. Je kunt je goed voorstellen hoe verbannen Chinese soldaten zich gevoeld moeten hebben als ze hier terecht kwamen. En al helemaal als ze zelfs zo zwaar werden gestraft en buiten de poorten werden gezet om het in deze woestenij zelf verder maar uit te zoeken.

Dan toch met de trein verder naar Xi’an, het einde (of als je in het oosten begint, het begin) van de Zijderoute. Hier eindigt dus eigenlijk onze Zijderoute, onze reis gaat nog verder naar Beijing. Xi’an was ooit, 1.000 jaar lang, de hoofdstad van China en op haar hoogtepunt een van de meest belangrijke en invloedrijke steden ter wereld. De eerste keizer van het totale Chinese Rijk zetelde hier en hij was het die rondom zijn graf het beroemde terracotta leger liet maken en mee begraven bij zijn dood. In navolging hierop hebben andere keizers en hooggeplaatste personen in hun graven ook duizenden figuren meegenomen, zij het dat dit op veel kleinere schaal gebeurde. Kortom, in en om Xi’an wemelt het van de graven waar archeologen van smullen.

Ook mooi in Xi’an: de stadsmuur. Een mooi bewaard gebleven muur, die ruwweg 4×4 kilometer lang is. Wandelen óp de muur of in de parken aan de buitenkant er omheen, je kunt heel wat kilometers afleggen met de muur als leidraad.

Het wordt heel wat anders wanneer je de moslimwijk ingaat. In Xi’an woont nog een groot aantal Hoei-Chinezen, die islamitisch zijn. De Grote Moskee staat midden in deze wijk en eromheen vind je smalle straatjes, waar je vooral eten kunt kopen. Gigantisch veel eten. Het is leuk om er doorheen te lopen en te zien hoe bijvoorbeeld de noga wordt “getrokken”, of inktvis op stokjes wordt gefrituurd en gegeten. Ik sla deze lekkernijen echter over en loop via de kunstenaarswijk, waar je de meest uiteenlopende kwaliteit aan kunst kunt kopen, een wijkje in dat je zou kunnen omschrijven als een volksbuurt. Hier wonen de Chinezen, die verder niets met het toerisme te maken hebben. Het is er een drukte van belang op straat.

Hier geen toeristische verkoopwaar, maar eethuisjes waar de Chinezen uit de buurt zelf iets te eten pakken, piepkleine winkeltjes, werkplaatsen en kleine huisjes. Hele families zitten op krukjes en stoeltjes op straat, het leven speelt zich hier grotendeels buiten af. Ik krijg trek en zoek het meest schone eethuisje uit dat ik kan vinden. Want in eettentjes, waar het eten op de grond wordt klaargemaakt heb ik niet zo’n zin in. Ik word uitbundig begroet door de hele familie. Ik wil graag chow mein, maar hoewel ik het een aantal keren zeg, begrijpt men mij toch niet. Het zal wel de verkeerde toon zijn, want in het Chinees zijn niet alleen de juiste woorden belangrijk, maar ook de toon waarop je de woorden uitspreekt. Met handen en voeten krijg ik toch een bestelling voor elkaar en het is zowaar erg lekker. Rustig eten is er niet bij, men is toch wel erg nieuwsgierig en vooral de kinderen komen er om de beurt even bij zitten om uitvoerig te kijken hoe ik eet. Gelukkig is eten met stokjes geen probleem voor me… Natuurlijk moet ik op de foto en wil de hele familie ook wel voor mij poseren. Al met al een geslaagde maaltijd. Het gewone leven vind ik ook ’s avonds terug in een van de parken.

Kinderen krijgen rolschaatsles, er wordt gesport, men leert letterlijk het klappen van de zweep, maar vooral: er wordt gedanst. Allerlei vormen komen voorbij, van knullige loopjes met rode vlaggen tot een soort linedance, aerobics en stijldansen. En dan komt het onvermijdelijke einde aan deze reis: Beijing. Na 9 weken reizen bereiken we onze eindbestemming. We komen aan op het West-station en moeten nog ruim een uur door de stad om naar ons hotel te komen. De overgang is groot. Natuurlijk hebben we tijdens deze reis meerdere grote steden bezocht, maar Beijing is toch wel een verhaal apart. Zo druk, zo vol, dat is toch wel weer even wennen. Ons hotel ligt op een prima locatie, dicht bij een metrostation en daar maak ik dankbaar gebruik van. De metro’s brengen me waar ik wil zijn, ze rijden zeer frequent en het systeem is overzichtelijk. Gelukkig zijn de stationsnamen ook in voor mij leesbare letters aangegeven, al kost het wel moeite om namen als Zhanzizhonglu en Tiantandongmen te onthouden. Dit is mijn tweede bezoek aan Beijing en deze keer sla ik de Verboden Stad over.

Daar heb ik de vorige keer uren rondgelopen en het is zeker de moeite waard, maar ik laat het nu bij een fotomoment vanaf het Plein van de Hemelse Vrede. Het beroemde plein waar deze keer gelukkig de enorme reclamezuilen, die de vorige keer het overzicht verstoorden, weer verdwenen zijn. Het is een mooi plein, met aan de ene kant de Verboden Stad en aan de andere kant het mausoleum waar Mao is opgebaard. Daar ben ik vorige keer niet geweest, dus deze keer sluit ik aan in de eindeloze rij wachtenden. Je kunt het mausoleum bezoeken wanneer je vóór 11.00 uur ’s ochtends in de rij staat en de toegang is gratis. Daar maken duizenden mensen gebruik van en het kost me dan ook meer dan een uur om binnen te komen. En dat had misschien wel iets korter gekund, want ik ben in die tijd door ik weet niet hoeveel mensen gepasseerd. Want voordringen dat kunnen de Chinezen. Ze lopen voortdurend te duwen en te trekken, lopen op je hielen en vullen elk gaatje meteen op. Mij is het veel te warm om me druk te maken dus ik laat ze maar. Binnen is het heerlijk koel, maar binnen vijf minuten sta ik weer buiten. Maar, ik heb Mao in zijn glazen kist zien liggen (en stiekem een foto gemaakt). Een klein stemmetje in mij vraagt zich dan toch weer af of het wel echt Mao was, of misschien een wassen beeld… De Muur is een grote trekpleister. Hier ben ik vorige keer ook geweest, maar deze keer ga ik naar een ander gedeelte. Dit is een gedeelte, dat duidelijk (nog) niet door veel toeristen wordt bezocht en waar ik de vorige keer bijna over de hoofden kon lopen, heb ik nu soms hele stukken lege muur voor en achter me. Het blijft een indrukwekkend monument. Verder bezoek ik de nightmarket, waar je zeepaardjes en schorpioenen op stokjes kunt eten (brrr), ik ga – opnieuw – naar de Kong Fu-show, een show waar ik de vorige keer zo van heb genoten dat het mij een tweede keer waard is en ik ga naar, wat ik de eetstraat noem. Dit is een tip van een medereiziger en dat is geen slecht idee.

Een straat waar je aan beide kanten alleen maar eethuisjes ziet, variërend van piepklein tot enorm groot. Kreeft lijkt hier het meest gewilde gerecht te zijn (ze eten ze hier met plastic handschoentjes aan). De hele straat kleurt rood van alle reclame en mocht ik nog niet het gevoel hebben dat ik in China ben, hier kan ik daar zeker niet aan ontkomen. Een leuke afsluiting.

Dat was het, vanavond vlieg ik terug naar Nederland en is deze reis ten einde. Een prachtige reis met heel veel mooie momenten. Ik heb heel veel gezien en beleefd. Een paar hoogtepunten misschien: de prachtige natuur in Oost-Turkije en Kirgizië, de allerliefste en aardige mensen in Iran, de surrealistische sfeer in Ashgabat en de prachtige Zijderoutesteden Bukhara en Samarkand. En de rode draad door deze hele reis: de route zelf. Wat een prestatie hebben de handelaren vroeger geleverd, door over deze route van oost-naar west en vice versa te reizen!

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.

Maak een website of blog op WordPress.com

Omhoog ↑