Costa Rica ligt al weer even achter mij. De laatste paar dagen in Costa Rica waren we in het nevelwoud van Monte Verde, in het plaatsje Santa Elena. Na de klamme warmte van San José, de Caribische kust en het regenwoud, was het hier aangenaam warm toen we aankwamen. Het nevelwoud ligt wat hoger in de bergen en dat merk je aan de temperatuur. We konden even bijkomen, niet alleen van de hitte maar ook van de helse rit die we de berg op moesten maken. Na een leuk boottochtje over het meer van Arenal (genoemd naar de vulkaan Arenal) werden we met zijn allen zo ongeveer opgevouwen in een veel te klein busje en

Na een leuk boottochtje over het meer van Arenal (genoemd naar de vulkaan Arenal) werden we met zijn allen zo ongeveer opgevouwen in een veel te klein busje en moesten we 2,5 uur hobbelen over een keiige, bochtige zandweg, toch een minpuntje in deze reis. Maar het was de moeite waard, want het nevelwoud is prachtig.
’s Ochtends konden we goed zien waarom het een nevelwoud is. Voor de activiteiten van deze dag reden we nl. nog een stukje hoger en zo de mist in. Na een mooie wandeling over hoge hangbruggen door de toppen van de bomen was het tijd voor een portie adrenaline: canopying. Ik heb me laten vertellen dat dit in het Nederlands tokkelen genoemd wordt. Hangend aan een katrol slinger je langs kabels tussen de bomen door van boom naar boom. De langste afstand was 1.000 meter! Heel erg leuk om te doen.

Na Monte Verde namen we afscheid van Costa Rica en reden we via de Panamericana naar de grensovergang met Nicaragua. De Panamericana is een netwerk van snelwegen die gezamenlijk de verbinding vormen tussen Alaska in het noorden en Vuurland in het uiterste zuiden van het Amerikaanse continent. (Een droom om deze route nog eens helemaal af te leggen!)
De grens oversteken is hier niet zo eenvoudig. Als Europeanen zijn we inmiddels gewend aan het vrije grensverkeer. Van Costa Rica naar Nicaragua is mijn paspoort totaal vijf keer gecontroleerd, heb ik tax moeten betalen om Costa Rica te mogen verlaten en is de bus waar we in reden gedesinfecteerd. Alles bij elkaar hebben we zo’n 2 uur nodig gehad om Nicaragua binnen te komen. En dan rijd je een totaal ander land binnen. Hoewel ook Costa Rica armoede kent, is het een beduidend rijker land dan Nicaragua. Al heel snel zagen we armoedige huisjes, oude auto’s, paard en wagens en mensen die zich alleen lopend kunnen verplaatsen. De enige regio waar wat meer welvaart valt waar te nemen, is het gebied aan de oevers van het meer van Nicaragua, waar de grotere steden Granada, Managua en León liggen.

Na twee nachten aan de kust (de Pacific deze keer) namen we de veerboot naar het eiland Ometepe.
Dit eiland bestaat uit twee aan elkaar gegroeide vulkanen en ons hotel lag daar tussenin. Heel bijzonder.

De ene vulkaan is nog actief en tijdens de boottocht zag ik dan ook geregeld rookpluimen uit de krater komen. Door de vulkanen is het eiland erg vruchtbaar en de bewoners leven dan ook voornamelijk van de landbouw. Het belangrijkste product is de bakbanaan. Wij kennen deze vooral als een al dan niet gepaneerd en gefrituurd stukje banaan, maar hier maken ze er van alles van, o.a. een soort koek als vervanger voor aardappels en chips.
Terug op het vasteland nemen we de vulkaanroute. Niet alleen Costa Rica heeft veel vulkanen, in Nicaragua zijn er ook tientallen waarvan een groot gedeelte langs de route richting Managua en León ligt. Hoewel nog steeds actief is de krater van de vulkaan Masaya tot op de rand te benaderen. Enorme rookwolken en grote hitte kwamen op ons af. Heel indrukwekkend.

Managua is de hoofdstad van Nicaragua en het opvallendst hier is eigenlijk dat grote gedeeltes braak liggen. De stad leed in de jaren ’70 veel schade door een aardbeving en is nog maar gedeeltelijk weer opgebouwd. León daarentegen heeft nog een mooi oud centrum met vele kerken en andere gebouwen in koloniale stijl. De invloed van de Spanjaarden is hier nog goed zichtbaar. Maar ook León loopt gevaar, want ik werd ’s ochtends wakker geschud door een lichte aardbeving!

Momenteel zijn we aan het laatste stuk van deze rondreis begonnen. We zitten nu op zo’n 30 km van de grens met Honduras in een klein, vriendelijk dorpje. Het toerisme moet hier nog worden uitgevonden zo lijkt het. Het dorpje heeft maar een paar hotelletjes en restaurantjes. De reden dat wij hier zijn is een bezoek aan een kloof, die pas in 2003 ontdekt is bij onderzoek naar de gevolgen van aardbevingen. Dat staat morgen op het programma, dus dat komt de volgende keer.
En nog een trieste mededeling: onze 83-jarige is zijn Ipad kwijt. De hele groep leeft met hem mee en neemt hem nu overal mee op sleeptouw, want hij heeft nu geen boeken meer om te lezen.
Plaats een reactie